Door Kerrewin van Blanken (Universiteit Leiden)
In zijn recent verdedigde proefschrift bestudeert Kerrewin van Blanken de propaganda-activiteiten van Franse en Nederlandse diplomaten in de zeventiende eeuw. In deze blog voor Platform Frans bespreekt hij een bijzonder voorval van een vermeende en een echte Nederlandse propagandacampagne in Parijs.
Op 6 april 1672 verklaarde Lodewijk XIV de oorlog aan de Republiek der Nederlanden. Het is het jaar dat de Nederlandse geschiedenisboeken in zou gaan als het ‘rampjaar’. Het Franse leger bezette in rap tempo een groot deel van de Nederlandse gewesten en brak zelfs op enkele punten door de Hollandse waterlinie. Tegelijkertijd viel de Engelse koning Karel II de Nederlandse vloot aan, en vielen vanuit het oosten de bisschoppen van Keulen en Münster het land binnen. De aanval was in diepste geheim voorbereid, en had aanvankelijk veel succes. De Nederlandse Republiek werd compleet verrast, en wist zich slechts op het nippertje te redden van een totale nederlaag. Maar ook daarbuiten kwam de oorlog als een verrassing, en in de straten van Londen en Parijs vroeg men zich af: waarom deze oorlog?

Over de aanleiding van de oorlog werd ook in de zeventiende eeuw al veel gespeculeerd. In de officiële oorlogsverklaring benoemde Lodewijk nadrukkelijk ‘la mauvaise satisfaction‘ en de onophoudelijke stroom beledigingen die hij van de Nederlandse pers had te verduren. Dit zat het Franse hof en haar diplomaten al veel langer dwars. Er was echter ook één specifiek incident dat vanaf 1672 telkens weer werd aangehaald als de oorzaak van Lodewijks agressie tegen de Nederlanden, en dat een interessante inkijk geeft in de rol van internationale propaganda in de zeventiende-eeuw.
De medaille
Het incident in kwestie betrof een medaille (al gaat het in sommige versies van het verhaal over een schilderij) die ergens tussen 1668 en 1672 geslagen zou zijn. Lodewijk XIV was een groot liefhebber van medailles, en liet veel van zijn militaire overwinningen en andere belangrijke momenten vereeuwigen in dit medium. Deze medaille was anders. Op de medaille stond de Bijbelse Jozua afgebeeld op het moment dat hij tijdens een veldslag tegen de Amorieten de zon beval om stil te staan, met de woorden: ‘Sta Sol, Arrête toi’. [Jozua 10: 12-14]. Voor tijdgenoten was dit een duidelijke verwijzing naar Lodewijk XIV, die druk bezig was zijn reputatie als ‘zonnekoning’ te vestigen. Specifiek werd het gezien als een verwijzing naar de Vrede van Aken in 1668, waar een grote Europese alliantie Lodewijk had gedwongen om zijn veroveringen in de Spaanse Nederlanden terug te geven. De zonnekoning was daar letterlijk tot stilstand gedwongen in zijn ambities. De medaille werd toegeschreven aan de voormalige Nederlandse ambassadeur aan het Franse hof, Coenraad van Beuningen, die een grote rol had gespeeld bij het congres van Aken.
Zoals Isaure Boitel in L’image noire de Louis XIV heeft laten zien, werd het verhaal van de medaille opgevoerd als aanleiding voor de oorlog in verschillende zeventiende- en achttiende-eeuwse geschiedenissen (waaronder Voltaire’s Le Siècle de Louis XIV, die overigens vraagtekens plaatste bij de echtheid van de medaille) en duikt het zelfs op in Alexandre Dumas’ Le Vicomte de Bragelonne, het laatste boek in de Drie Musketiers reeks. Het is een mooi verhaal, de metalen druppel die de emmer van verontwaardiging deed overlopen, maar het is ook een problematisch verhaal. De medaille in kwestie heeft waarschijnlijk nooit bestaan, en er is in ieder geval ook geen bewijs dat Van Beuningen er iets mee te maken had. Hedendaagse historici hebben intussen tal van andere verklaringen voor de oorlog geopperd, van het economische conflict tussen Nederland, Frankrijk en Engeland tot interne intriges binnen het Franse hof en een groter plan om de koning van Spanje bij de oorlog te betrekken als excuus om alsnog de Spaanse Nederlanden te veroveren.
Hoewel de medaille dus vrijwel zeker niet de oorzaak was voor de oorlog, speelde het verhaal weldegelijk een belangrijke rol in Lodewijks publieke rechtvaardiging van de oorlog. In verschillende publicaties kwam het verhaal van de medaille naar voren als het voorbeeld waarom de Hollanders gestraft moesten worden. Daarmee werd verhaal ook belangrijk voor Nederlandse diplomaten, die probeerden om de oorlog te af te schilderen als een onterechte aanval. Om dit beter te begrijpen moeten we kijken naar een diplomaat die zich in het hol van de leeuw bevond: Parijs.

Een ambassadesecretaris in Parijs
Na de oorlogsverklaring van Lodewijk XIV werden de officiële diplomatieke banden tussen Frankrijk en de Republiek verbroken, en vertrok de Nederlandse ambassadeur Pieter de Groot naar huis. De secretaris van de ambassade, Christiaan Constantijn Rumpf, bleef echter nog twee jaar lang achter in Parijs met zijn gezin. Rumpfs voornaamste taak was het afhandelen van enkele economische zaken, en het beschermen van de rechten van de overgebleven Nederlandse populatie in Frankrijk. Uit zijn zeer gedetailleerde dagboek uit die tijd blijkt dat Rumpf zijn taak nog wel iets ruimer opvatte dan dat. Omdat hij doorhad de oorlog niet bijzonder populair was, probeerde de secretaris aan de hand van gesprekken en publicaties het enthousiasme van verschillende doelgroepen in Parijs nog verder te dempen, in de hoop zo politieke druk te creëren. Hij deed dit door steevast de hoge economische kosten van de oorlog te benadrukken, en door te wijzen op het onrechtmatige en eerloze karakter van de oorlog.
Zo hielp Rumpf een ‘goed confident vrundt’ met het vertalen en verspreiden van een Duits pamflet, waarin de katholieke bevolking van Frankrijk werd aangespoord om minder vijandig te zijn tegenover de Hollanders, en dat eindigde met de observatie : ‘Het zou goed zijn voor de religie en de publieke vrede wanneer men deze bloederige en verwoestende oorlog zou beëindigen, en wanneer de koning van Frankrijk eindelijk tevreden zou zijn met zijn eigen mooie, rijke en machtige koninkrijk, zonder te proberen zich meester te maken van de Zuidelijke Nederlanden’.

Daarnaast schakelde Rumpf de hulp in van zijn contacten in de literaire wereld van Parijs. In Rumpf’s dagboek bleven deze contacten helaas allemaal anoniem, maar het bevat wel een uitgebreide beschrijving van een literaire bijeenkomst waarbij allerlei verboden werken werden besproken. Zo bespraken Rumpf en zijn vrienden onder andere een Latijns versje waarin de oorlogsdaden van Lodewijk XIV werden bespot (het enige stuk in het hele dagboek dat in cijferschrift werd opgetekend). Ook noteerde Rumpf met enige trots dat zijn opmerking over de oorlogsverklaring van Lodewijk (namelijk dat de frase ‘mauvaise satisfaction’ een contradictio in adjecto was, en bovendien een nogal vreemde legitimering voor een dure oorlog tegen een voormalige bondgenoot) naderhand door meerdere ‘critici’ werd verspreid.
Er stond voor Rumpf meer op het spel dan alleen de publieke opinie van Parijzenaren. Er liepen in Parijs ook nog veel diplomaten rond van vorsten als de Heilig Roomse Keizer, die zowel door Frankrijk als de Nederlandse Republiek werden gepaaid om hun kant te kiezen in het conflict. En daarnaast vormde de aanhoudende anti-Nederlandse propaganda vanuit het Franse hof ook een concreet gevaar voor de Nederlandse bevolking van Parijs. Er was Rumpf dus veel aan gelegen om de reputatie van zijn staat hoog te houden, en de onredelijkheid van Lodewijks oorlog te blijven benadrukken.
La Hollande aux pieds du Roy
Dan publiceert in 1673 de Franse dichter Nicolas de la Volpilière een gedicht genaamd La Hollande aux pieds du roy. Zoals de titel al prijsgeeft, focust dit lofdicht op Lodewijk XIV zich voornamelijk op zijn acties om de arrogante Hollanders het zwijgen op te leggen. Daarbij refereerde Volpilière ook weer aan de Van Beuningen-affaire:
Ce ministre orguilleux qui m’attire la guerre,
Pareil à ce Hardy qui s’égalant aux Dieux,
Et voulant élever un Trône sur les cieux,
En fut precipité par un coup de Tonnerre.
Enfant de Phaëton, dont l’orgueil nompareil
Entreprit de mener le chariot du Soleil:
Malheureux fugitif, source de mes desastres:
Faux Iosuê, faux devin, qui de la méme voix,
Qu’on arresta jadis le plus brillant des Astres,
Entreprit d’arréter les puissant des Rois.
Naast een ‘valse Jozua’ die het lef had om de zonnekoning dwars te zitten, beschreef Volpilière Van Beuningen ook als een ‘zoon van Phaëton’, de Griekse halfgod die de zonnewagen van zijn vader Helios probeerde te besturen maar daarmee de aarde zodanig in gevaar bracht dat Zeus hem met een bliksemschicht om het leven bracht. Dit was niet alleen een beschuldiging van hoogmoed, maar ook een impliciet dreigement.

In Amsterdam klom Van Beuningen meteen in de pen tegen Volpilière en tegen de aantijging dat hij de penning had laten slaan. Hij noemde het een ‘fabel’ en een ‘ridicule vanité’. Van Beuningen stuurde zijn relaas per brief naar Rumpf, die het met enkele vrienden uit zijn geletterde en diplomatieke kringen besprak en lichtelijk aanpaste om het beter te laten landen aan het Franse hof. Rumpf overhandigde de brief aan Volpilière, die het hem nog in ontvangst nam ook. Als de brief een puur persoonlijke kwestie was geweest zou hiermee wellicht de kous af zijn geweest. Maar Rumpf realiseerde zich dat dit ook een uitgelezen kans was om nogmaals duidelijk te maken dat de Franse oorlogsverklaring onredelijk, ongefundeerd en onterecht was.
Rumpf diende een verzoek in om Van Beuningens brief te laten drukken en verspreiden door het land. Het is niet bepaald verrassend dat de Franse ministers daarop besloten dat het niet wenselijk was om een Hollandse reactie op een Frans propagandapamflet te promoten. Maar Rumpf liet het daar niet bij zitten. Kort daarna noteerde hij in zijn dagboek:
Die dag heb ik verschillende heren en dames kopieën van deze brief [van Van Beuningen] gestuurd. Om te zorgen dat deze nog verder wordt verspreid heb ik ook een exemplaar gegeven aan de omroeper van nieuwtjes binnen Parijs (die daar zijn brood mee verdient). Ik heb ook exemplaren gestuurd naar mijn vrienden en correspondenten in Nantes, Bordeaux, La Rochelle, Marseille, Caen, Orléans, Blois en Saumur, en nog eentje naar de Graaf van Bussy. Want omdat het gedrukte gedicht door het hele rijk is verspreid, is het niet meer dan logisch dat ook deze verdediging tegen zulke grove en ongefundeerde leugens onder alle inwoners van het rijk wordt verspreid.
Het weerleggen van dit gerucht was voor Rumpf een belangrijke zet in de propagandastrijd die werd gevoerd rond de legitimiteit Hollandse oorlog. Rumpf zelf schreef ook dat hij met zijn actie ‘de staet nootsaeckelijck [was] geweest.’
Conclusie
Het feit dat het verhaal van de medaille alsnog in veel geschiedenissen terecht is gekomen duidt erop dat Rumpf waarschijnlijk niet echt in zijn opzet is geslaagd. Maar de hele affaire laat wel goed zien dat propaganda en beeldvorming en wezenlijk onderdeel begonnen te vormen van oorlogsvoering in de zeventiende eeuw. De medaille was weliswaar niet de aanleiding voor de oorlog, maar het verhaal werd wel gebruikt om de oorlog te rechtvaardigen. Mede daarom vonden Nederlandse diplomaten het interessant om het verhaal te ontkrachten. Het laat ook zien dat een ambassadesecretaris als Rumpf, die toch in vrij barre omstandigheden opereerde, over best wat mogelijkheden beschikte om zijn boodschap over te brengen aan een groter publiek in Parijs en andere plaatsen in Frankrijk.
Wie meer wil weten over diplomatiek gekonkel en propaganda in de zeventiende eeuw kan terecht op de blogserie van ons project Inventing Public Diplomacy in Early Modern Europe: https://www.historici.nl/category/blogserie-vroegmoderne-publieksdiplomatie/
