Tussen Schmitt en Saint-Exupéry: de schoolcanon onderzocht

Door Maaike Koffeman, Radboud Universiteit Nijmegen

Welke teksten stellen we centraal in het literatuuronderwijs en welke werken raden we aan leerlingen aan om zelfstandig te lezen? Dat zijn interessante vragen nu we op de drempel staan van een vakvernieuwing waarbij de rol van literatuur in het talenonderwijs opnieuw gedefinieerd wordt. Voor het schoolvak Frans moeten een vwo-leerling volgens de huidige eindtermen “verslag uitbrengen van zijn leeservaringen met ten minste drie literaire werken” en daarnaast kennis hebben van literaire begrippen en literatuurgeschiedenis. In het nieuwe curriculum krijgt fictie een rol toebedeeld in de domein Cultuurbewustzijn en Burgerschap. Welke implicaties heeft dat voor het literatuuronderwijs?

Om de discussie daarover een impuls te geven, heb ik samen met vijf collega’s van de Radboud Universiteit onderzocht hoe docenten Duits, Engels, Frans, Nederlands en Spaans hun literatuuronderwijs op dit moment vormgeven. We waren onder meer benieuwd hoeveel boeken leerlingen daadwerkelijk lezen voor de verschillende talen, en in hoeverre dat zelfgekozen teksten zijn die zij zelfstandig lezen voor de zogenaamde leeslijst. In een grootschalige enquête hebben we taaldocenten in de bovenbouw van het vwo bevraagd op hun leesgedrag, de invulling van het literatuuronderwijs, concrete tekstselecties en leesadviezen aan leerlingen, en factoren en inspiratiebronnen die tekstselecties bepalen. De resultaten van dit onderzoek zijn onlangs door Stichting Lezen gepubliceerd.

Een eerste interessante uitkomst is dat de respondenten over de hele linie aangeven dat ze redelijk veel lestijd aan literatuur besteden (bij Frans is dat gemiddeld 21 %), maar dat ze er graag nog meer tijd voor zouden willen inruimen (docenten Frans noemen een ideaal aandeel van gemiddeld 30 %). Verder worden er voor Frans gemiddeld 5,6 literaire werken gelezen, en gebeurt dat lezen voor het overgrote deel in klassikaal verband. Leerlingen lezen gemiddeld maar 1,4 boek zelfstandig. Ter vergelijking: voor het schoolvak Engels betreft het gemiddeld 6,5 werken, waarvan bijna de helft zelfstandig wordt gelezen. We zien verder dat er dit onderdeel vooral wordt beoordeeld in de vorm van schriftelijke toetsen over literatuurgeschiedenis, literaire analyse en literaire werken.

Uit onze onderzoeksdata blijkt dat de meest behandelde auteurs in de literatuurlessen Frans een mix zijn van canonieke auteurs en populaire schoolklassiekers die dateren uit het begin van deze eeuw. Mannelijke auteurs uit Frankrijk domineren de lijst en tweederde van de behandelde werken dateren van voor 2000. Hieruit blijkt dat de schoolcanon vrij statisch is en dat belangrijke hedendaagse auteurs als Annie Ernaux en Édouard Louis nog maar mondjesmaat hun weg vinden naar de Nederlandse klaslokalen.

In het algemeen laat het onderzoek zien dat docenten meer hedendaagse en diverse titels aanraden aan leerlingen om zelfstandig lezen. We zien in die lijsten meer ruimte voor jeugdliteratuur, voor vrouwelijke auteurs en meer schrijvers wier identiteit niet samenvalt met de dominante cultuur van het taalgebied. Bij het schoolvak Frans is dat effect echter minder sterk dan bij Engels of Nederlands. Dat zou kunnen samenhangen met het feit dat er überhaupt weinig zelfstandig gelezen wordt in het Frans en de leeslijst van elke leerling in hoge mate wordt bepaald door wat de docent in de les aanbiedt.

Kenmerken van Franse auteurs die in de les worden behandeld en aangeraden worden voor zelfstandig lezen.

Naar aanleiding van deze bevindingen raden wij talendocenten aan om zich bewust te zijn van de impact van curricular heritage, het gegeven dat docenten geneigd zijn om aan hun leerlingen door te geven wat zij zelf in hun opleiding aangereikt hebben gekregen. Dit fenomeen biedt een mogelijke verklaring voor het relatief statische karakter van de schoolcanon. Het maakt ook dat de nieuwste (jeugd)literatuur, die vaak beter aansluit bij de leefwereld van leerlingen en inzicht biedt in actuele maatschappelijke kwesties, relatief weinig aandacht krijgt in het literatuuronderwijs. De aanstaande invoering van het nieuwe examenprogramma biedt een goede aanleiding om binnen secties Frans, maar zeker ook op vakoverstijgend niveau, na te denken over welke teksten het meest geschikt zijn om te werken aan doelen op het gebied van Cultuurbewustzijn en Burgerschap, en welke didactische benaderingen en toetsvormen daar het best op aansluiten.

Bron: Delhey, Y., Dera, J., Janssen, L., Jentges, S., Koffeman, M. & Mekenkamp, M. (2025).
Tekstselectie in het Nederlandse literatuuronderwijs: Een enquêtestudie onder docenten Duits, Engels,
Frans, Nederlands en Spaans
. Amsterdam: Stichting Lezen. Download het onderzoeksrapport.

Luister ook de aflevering van de Leescast waarin drie van de onderzoekers worden geïnterviewd over de uitkomsten van dit rapport.