Door Alisa van de Haar, Universiteit Leiden
Onlangs werd bekend dat Alisa van de Haar (Universiteit Leiden) een Europese onderzoeksbeurs heeft ontvangen voor een project dat de talensector in vroegmodern Europa zal bestuderen, en de rol die taalprofessionals speelden in de samenleving. Ze zal hier van 2026 tot 2031 samen met een team van twee promovendi en een postdoctorale onderzoeker aan werken. Voor Platform Frans presenteert ze haar project.
Vroegmodern Europa had te maken met een groot aantal ontwikkelingen: de technologische innovatie van de drukpers, een intensivering en vernieuwing van contacten met andere continenten, en verschillende politieke, religieuze, en militaire conflicten zoals de Guerres de Religion en de Tachtigjarige Oorlog. Op al deze gebieden was een sleutelrol weggelegd voor mannen en vrouwen met talige competenties, die gedrukte talige output verzorgden, hielpen om taalbarrières te slechten, en over taalgrenzen heen bemiddelden. De periode tussen 1500 en 1700 is wel de tijd van ontdekkingen genoemd, maar historici pleiten voor een nieuwe naam: de tijd van vertaling.
Er was een enorme inspanning nodig van allerhande taalprofessionals om vroegmoderne samenlevingen draaiende te houden: niet alleen tolken en vertalers, maar ook taaldocenten en taalonderzoekers waren belangrijk voor de communicatie met diplomatieke partners en handelscontacten binnen en buiten Europa. De drukpersen draaiden op volle toeren dankzij de inspanningen van auteurs, redacteuren en correctoren. De toename aan gedrukte boeken die op de markt kwamen vergrootte tegelijkertijd de rol van bibliothecarissen, die de groeiende collecties van hooggeplaatste families maar ook onderwijs- en overheidsinstanties beheerden. En parallel aan het gedrukte woord bleef er een levendige industrie voor specialisten van het schrift, zoals kopiisten, secretarissen, en ook kalligrafen, wiens werk ook als kunstvorm werd gewaardeerd. Zonder al deze taalspecialisten zou de vroegmoderne samenleving al snel spaak lopen, en men was zich daar terdege van bewust. Taalprofessionals werden gewaardeerd en geprezen om hun vaardigheden, en vaak royaal beloond voor hun inspanningen. De namen van vertalers pronkten in veel gevallen prominent op titelpagina’s, en instanties als de Staten Generaal staken veel moeite en middelen in het aantrekken en belonen van kundige secretarissen en redacteuren.
Toch is de grote rol en het verregaande belang van taalprofessionals voor vroegmodern Europa nog niet goed zichtbaar voor historici omdat er nog niet eerder onderzoek is gedaan naar de taalsector als geheel; dat deel van de samenleving en economie dat draaide op talige vaardigheden. Die blinde vlek heeft verschillende oorzaken. Er was bijvoorbeeld geen gemeenschappelijk gilde voor taalwerkers, waarvan sommigen zich aansloten bij het schoolmeestersgilde, anderen bij het boekdrukkersgilde, of een secretarisgenootschap als dat bestond in de stad in kwestie. Doordat juist de archieven van dergelijke organisaties belangrijke bronnen zijn voor historici is er onevenredig veel aandacht geweest voor taaldocenten en mensen die actief waren in het drukkerswezen, maar veel minder voor andere talige beroepsgroepen. En dat terwijl de taalsector voor talige experts zelf juist een heel logisch geheel leek te zijn: taalprofessionals combineerden vaak meerdere talige beroepsactiviteiten, en gingen flexibel over van het een in het ander. Zo waren taaldocenten vaak ook freelance vertaler, en traden taalonderzoekers regelmatig op als corrector in een drukkerij om wat bij te verdienen.
In het project ‘LangPro: Professional Opportunities in the Early Modern Language Sector (1550–1650)’ gaan we bestuderen hoe de vroegmoderne taalsector functioneerde in de Lage Landen, Engeland, Frankrijk, en het Duitse gebied. We zullen de geldstromen in de taalindustrie gaan bestuderen, de rol van gilden en andere beroepsorganisaties onder de loep nemen, de status, reputatie en zelfpresentatie van taalprofessionals analyseren, en bekijken wat precies de rol van vrouwen in de taalsector was. Een van de hypotheses van het project is namelijk dat de taalindustrie een bijzondere rol innam in het creëren van werkgelegenheid voor vrouwen. Aangezien vrouwen geen toegang hadden tot academisch onderwijs waren intellectuele beroepen in principe niet voor ze toegankelijk. Taalwerk vormde hierop een belangrijke uitzondering: ook zonder universitaire opleiding konden vrouwen hun talenkennis professioneel benutten en auteur, vertaler, tolk, secretaris, of taaldocent worden. Datzelfde geldt voor mannen uit minder bedeelde milieus.
In het project is een speciale rol weggelegd voor het Frans. Niet alleen is Frankrijk een van de kernregio’s waar het onderzoek zich op zal richten, het Frans was ook een belangrijke taal over de breedte van de Europese talensector. Terwijl het Latijn als internationale taal steeds minder belangrijk werd, was de positie van het Frans juist erg sterk in deze periode. Het Frans was de lingua franca van de internationale handel en werd als hoftaal gesproken in aristocratische milieus in heel Europa (tot zelfs in Rusland), en was daarmee samenhangend ook een toonaangevende culturele en literaire prestigetaal. Taalprofessionals die zich met het Frans bezighielden waren dus in heel Europa erg gewild.
De talensector is zeker geen vroegmoderne uitvinding: sinds de ontwikkeling van taal zijn er in alle samenlevingen taalexperts geweest die zorg droegen voor communicatie en uitwisseling. Zonder die experts zouden bestuurders niet goed kunnen communiceren met de bevolking, zouden nieuwe ontdekkingen en innovaties niet geïmplementeerd kunnen worden buiten het taalgebied waarin ze werden gedaan, en zouden handel en diplomatie niet van de grond kunnen komen. De vroegmoderne periode was wel een tijd waarin er sprake was van heel zichtbare en snel ontwikkelende taalactiviteit, die dit tijdvak tot een vruchtbaar onderzoeksterrein maakt.
Met dit project willen we het historische belang van de taalsector zichtbaarder maken, en daarmee ook aandacht vragen voor de onmisbaarheid van taalprofessionals vandaag de dag. Net als in de vroegmoderne periode hebben we ook nu weer te maken met technologische ontwikkelingen die taalprofessionals zeker niet vervangen (zoals de drukpers ook het handschrift niet heeft vervangen), maar wel nieuwe rollen en uitdagingen voor taalwerkers met zich meebrengen. Talige expertise is onverminderd nodig, en het is belangrijk daar de professionele, financiële, en sociale waardering tegenover te zetten die het vak verdient. En dat wisten ze in de vroegmoderne tijd maar al te goed.

