Door Maria Teresa Cattani (Universiteit Utrecht)
Mijn scriptie, getiteld L’influence de la connaissance du vocabulaire et de la grammaire sur la compréhension écrite en français LE (De invloed van woordenschat en grammaticale kennis op de leesvaardigheid in het Frans als vreemde taal), is het resultaat van een onderzoeksproject onder leiding van Dr. Marco Bril en Dr. Jacqueline Evers-Vermeulen. Dankzij hen heb ik mijn kennis van de taalkunde, een vakgebied dat mij aanvankelijk minder bekend was, verdiept en mijn horizon verbreed.
Het uitgangspunt van mijn studie was een artikel dat in 2024 werd gepubliceerd door Chen & Mei, waarin voor het Engels de invloed van de subcomponenten van lexicale en grammaticale kennis op de leesvaardigheid werd geanalyseerd. Voor zover bekend was dit een van de eerste studies waarin deze subcomponenten systematisch werden onderzocht. We vroegen ons toen af: hoe zit dat in het Frans? Deze vraag was ook zeer relevant in de onderwijssituatie waarin ik me bevond.
Hoe verhoudt mijn onderzoek zich tot die bredere context? Tegenwoordig zijn talen niet langer alleen schoolvakken. Ze zijn instrumenten voor verbinding, mobiliteit en begrip. De Europese Unie benadrukt duidelijk dat meertaligheid essentieel is voor democratische participatie, interculturele dialoog en gelijke kansen. Haar ambitie is dat elke burger ten minste twee vreemde talen beheerst.

Toch staat het taalonderwijs onder druk: steeds minder leerlingen kiezen voor vreemde talen en uit PISA-onderzoeken blijkt dat de leesvaardigheid van Nederlandse scholieren achteruitgaat. Tegelijkertijd speelt begrijpend lezen nog steeds een centrale rol op academisch niveau: in Nederland is het goed voor de helft van het eindcijfer voor alle talen. Ook op maatschappelijk niveau is het van belang goed te kunnen lezen, om actief te kunnen participeren in onze democratie.
In de praktijk reageren we vaak op deze achteruitgang door meer teksten te lezen en leesstrategieën te oefenen. Maar dat bracht mij als toekomstig docent tot de vraag: volstaat het oefenen en opnieuw oefenen van leesteksten met bijbehorende vragen? Of moeten we toch meer aandacht besteden aan de taalkundige elementen die begrip mogelijk maken? Deze vraag, samen met het artikel van Chen & Mei, vormde het uitgangspunt voor mijn scriptie.
Eerder onderzoek toont aan dat twee factoren bijzonder bepalend zijn voor leesvaardigheid: woordenschat en grammaticale kennis. Het begrijpen van een tekst is dus niet alleen een kwestie van strategie, maar vooral van woordenschat en grammaticale kennis. De meeste van deze studies zijn echter uitgevoerd in het Engels. Er is veel minder bekend over morfologisch rijkere talen zoals het Frans, waar kleine grammaticale markeringen de betekenis van een zin volledig kunnen veranderen.In mijn scriptie stelde ik daarom de volgende vraag: in hoeverre kunnen de subcomponenten van grammaticale kennis en woordenschatkennis de leesvaardigheid in het Frans als vreemde taal op gevorderd niveau voorspellen?
Om deze vraag te beantwoorden, hebben we 63 Nederlandse middelbare scholieren getest die Frans op een gevorderd niveau leren. Ze hebben een woordenschattest, een grammaticatest en een leesvaardigheidstest afgelegd. Vervolgens hebben we statistisch geanalyseerd welke subcomponenten hun prestaties op het gebied van leesvaardigheid konden voorspellen.
De resultaten waren best wel duidelijk. Woordenschat en grammatica verklaarden samen ongeveer 25% van de variatie in leesvaardigheid. Beide hadden een significant effect. Wat betreft de subcomponenten, speelden lexicale collocaties, syntactische structuur en grammaticale betekenis een belangrijke rol. Met andere woorden, leerlingen die de woorden en de zinsstructuur beter begrepen, waren ook betere lezers.
Persoonlijk ben ik vooral geïnteresseerd in de didactische implicaties van deze resultaten. In het taalonderwijs worden grammatica en woordenschat soms als mechanisch of secundair aan de vaardigheden beschouwd. Maar mijn resultaten suggereren het tegendeel. Ze vormen geen belemmering voor de leesvaardigheid, maar vormen juist de basis ervan. Als leerlingen een beperkte woordenschat hebben, kunnen ze geen betekenis construeren van een tekst. Als ze de zinsstructuur niet begrijpen, helpen leesstrategieën ze niet genoeg om de tekst echt te begrijpen.
Het verbeteren van de leesvaardigheid betekent dus ook het versterken van deze basis: systematisch woordenschat ontwikkelen, collocaties oefenen en grammatica blijven onderwijzen op het niveau van de betekenis (en dus niet alleen op vormniveau), zelfs op gevorderde niveaus. En daar hebben leraren de mooie taak om dit op een manier te presenteren die leerlingen aanspreekt.
Voor mij, als toekomstige lerares Frans, is dit een zeer bemoedigende boodschap. Want het betekent dat leesvaardigheid niet alleen een abstracte, complexe vaardigheid is. Het bestaat uit concrete en leerbare elementen. En dat betekent dat we echt een verschil kunnen maken in de klas door onze leerlingen meer aan deze elementen bloot te stellen.
In een tijd waarin talencurricula soms worden teruggeschroefd en we de relevantie van vreemde talen moeten verdedigen, ben ik er diep van overtuigd dat taalonderwijs van fundamenteel belang blijft. Het gaat niet alleen om het slagen voor examens op de middelbare school, maar ook om toegang te geven tot andere culturen, andere perspectieven en een meertalige wereld.
Mijn onderzoek blijft bescheiden: de betrouwbaarheid van het testmateriaal was beperkt en het aantal deelnemers was lager dan nodig was voor een optimale statistische kracht. Het is dus van belang te blijven investeren in onderzoek en in onderwijs dat gebaseerd is op wetenschappelijke gegevens, om zo meertalige en actieve burgers in onze snel veranderende maatschappij adequaat te kunnen vormen. Ik hoop dat mijn scriptie, hoe bescheiden ook, bijdraagt aan dit doel.
