Door Nienke van Dorp (Universiteit Utrecht)
Soms begint een onderzoek niet in een bibliotheek, tussen de boeken, maar in een museumzaal. In de zomer van 2022 bezocht ik de Kunsthal Rotterdam, en zonder specifieke verwachtingen te hebben van de tentoonstellingen werden deze toch overtroffen – ik maakte namelijk kennis met de expositie Onder de huid, gewijd aan de Franse surrealistische en dadaïstische alleskunner (fotograaf, schrijver, kunstenaar, enzovoorts) Claude Cahun.
Ik kende haar werk nauwelijks, maar toch bleef ik hangen. Het intrigeert! Ik nam foto’s, keek opnieuw, verliet uiteindelijk de ruimte, en toen verdween Cahun in mijn achterhoofd. Pas later, tijdens een vak kunstgeschiedenis, kwam haar naam opnieuw voorbij. Zodra ik de foto’s zag die ik destijds had gemaakt, begonnen de puzzelstukken in elkaar te vallen, vragen dienden zich aan, en het idee voor mijn bachelorscriptie Franse taal en cultuur begon vorm aan te nemen.
Een paradoxale bekentenis

Mijn onderzoek, getiteld “De la fragmentation à la performance – une lecture différente de ‘I.O.U.’ d’Aveux non avenus”, onder leiding van Dr. Lila Braunschweig, richt zich op het negende hoofdstuk “I.O.U.” uit Cahun’s boek Aveux non avenus (1930). Dit werk, waaraan zij ongeveer tien jaar schreef, laat zich niet eenvoudig samenvatten. Het is geen klassiek boek met een duidelijk begin en einde. Het combineert proza, poëzie, fotomontages en essays. Geen lineaire samenhang, dus. Alles is fragmentarisch en raadselachtig.
Al de titel – vrij vertaald: “Bekentenissen die geen bekentenissen zijn” – bevat een paradox. Aveux suggereert het onthullen van de waarheid, terwijl non avenus die onthulling meteen ondermijnt. Deze paradox herhaalt zich in het hoofdstuk “I.O.U.”. Wie de tekst leest, wordt geconfronteerd met fragmenten die zich niet onmiddellijk laten begrijpen. En dat riep bij mij een bijna instinctieve neiging op om te gaan onderzoeken; want wat betekent deze tekst nou eigenlijk?
Subversion de la confession
Sinds Cahun’s herontdekking in de jaren tachtig, wordt zij vaak gelezen vanuit genderstudies, queer theory en surrealistische theorieën. Die perspectieven zijn uiteraard erg waardevol, maar door deze uitgangspunten wordt het werk besproken vanaf de buitenkant, in plaats van dat de tekst en de afbeeldingen hun eigen betekenis kunnen produceren.
Ik vertrok vanuit het idee dat het hoofdstuk dus een subversion de la confession bevatte – iets wat buiten de traditionele opvattingen van een bekentenis valt, zoals de titel van het werk al suggereert. In plaats van die lineaire en transparante zelfonthulling, presenteert Cahun een gefragmenteerde en performatieve vorm van spreken, een destabilisatie van de tekst en van de “ik” die spreekt. Mijn hoofdvraag luidde als volgt: “Comment la subversion de la confession offre-t-elle une autre lecture du chapitre IX, ‘ I.O.U.’, d’Aveux non Avenus en tant que forme de performance et d’ouverture interprétative ? ”
Roland Barthes
Om deze fragmentatie recht te doen, zocht ik een methode die ruimte laat voor meerduidigheid, zonder af te hangen van de contexten van het werk. Die vond ik bij Roland Barthes en zijn essay S/Z. Daarin pleit Barthes voor een structurele leeswijze die de pluraliteit van een tekst bewaart.
In zijn essay werkte Barthes met zogenaamde “lexies”: tekstfragmenten die afzonderlijk geanalyseerd kunnen worden aan de hand van verschillende codes. Voor mijn onderzoek stond de hermeneutische code centraal, want deze onderzocht alle raadsels en betekenissen van de tekst. Juist dat sluit aan bij “I.O.U.”, waar betekenis telkens wordt onderbroken of gedestabiliseerd.
Ik analyseerde zowel de tekst van het hoofdstuk als de bijbehorende fotomontage, getiteld I.O.U. (Self-Pride). Daaruit kwamen vijf centrale raadsels, of enigma’s, naar voren: schuld, geloof, kritisch denken, samenleving en het “zelf”.
Traditie en maskerade
De titel van het hoofdstuk lijkt aanvankelijk, voor de Franse lezer, betekenisloos, maar verwijst in het Engels naar “I owe you” – ik ben je iets verschuldigd. Die bekentenis van schuld is cruciaal: Cahun suggereert een belofte tot bekentenis, maar weigert die vervolgens in te lossen. Ze ondergraaft het idee dat een individu een vaste waarheid is verschuldigd aan een “ander”.
Religie wordt in het hoofdstuk bekritiseerd, niet per se om alle vormen van geloof te ondermijnen, maar om het te bewijzen als autoritair systeem. Ook worden maatschappelijke structuren – familie, gendernormen – bevraagd. Er wordt verondersteld dat deze structuren individuen beperken en hun kritisch denkvermogen verzwakken, waardoor men ertoe wordt aangezet om bepaalde rollen, hiërarchieën en waarden te accepteren zonder ze in twijfel te trekken. Daartegenover plaatst Cahun de maskerade van het “zelf”, want identiteit is een spel, iets instabiels en verschuivend. Het “zelf” staat altijd in relatie tot de ander, via verwachting en oordeel, en is dus altijd transformatief.
De fotomontage verlengt deze ideeën met gefragmenteerde gezichten, vervormde familiefigureren en matroesjkapoppen, waarmee de traditionele modellen van identiteit, maatschappij en autoriteit worden vervormd en hervormd. Zo ontstaan er in het hoofdstuk twee motieven: traditie, hetgeen wat de opgelegde structuren belichaamt, en maskerade, hetgeen wat de methode van ontkenning en verzet wordt.
Bekentenis als performance
Wat mijn onderzoek uiteindelijk laat zien, is dat de fragmentatie in “I.O.U.” een strategie is. Door samenhang te weigeren, ondermijnt Cahun het idee dat een bekentenis één waarheid moet onthullen. In plaats daarvan wordt de bekentenis een performance. Geen eenzijdige onthulling dus, maar een handeling die gericht is op de ander, de lezer wordt deelnemer en medeschepper van betekenis. “I.O.U.” vraagt dus niet om voor eens en altijd begrepen te worden, maar juist om ermee in gesprek te gaan, en het telkens maar opnieuw te interpreteren. Want, zo concludeer ik, de fragmentatie nodigt de lezer uit om deel te nemen aan de creatie van betekenis – om de ruimte tussen tekst en beeld, de “ik” en de “ander”, te bewonen en anders te denken.
