Op 28 mei 2026 verzorgde Platform Frans in Leiden het congres ‘Cultuur als diplomatiek instrument – Nederland en Frankrijk in perspectief’. De invulling van het programma werd verzorgd door Mireille de Jonge (Platform Frans) en Marjolein Hageman (Universiteit Leiden). Ze werden daarbij ondersteund door studenten Jasmijn Jonker en Amélie Ruit. Het congres belichtte vanuit verschillende perspectieven de vraag hoe culturele dossiers strategisch (kunnen) worden ingezet binnen de internationale diplomatie, met een bijzondere rol voor Frans-Nederlandse relaties.
De middag opende met een videobijdrage van de ambassadeur van Frankrijk in Nederland, François Alabrune, gevolgd door een expansief openingswoord van de ambassadeur van Nederland in Frankrijk, Jan Versteeg, die aanwezig was in Leiden. Hij beschreef zijn eigen ervaringen met het belang van een goede kennis van het Frans en interculturele verschillen tussen de Nederlandse en Franse diplomatieke cultuur. Daarnaast benoemde hij het belang van cultuur als smeermiddel voor diplomatieke relaties, van literatuur tot film, en van schilderkunst tot muziek. Zo zijn Nederlandse DJ’s zijn een belangrijk uithangbord voor Nederland in het buitenland. En, in de woorden van Versteeg: ‘pour établir des ponts, il faut connaître la culture de l’autre pays’.

Na de bijdragen van beide ambassadeurs verwelkomde Alisa van de Haar, voorzitter van Platform Frans, het publiek in Leiden. Ze lichtte de missie van Platform Frans toe, die ook een bruggenbouwer wil zijn tussen de Nederlandse en Franse en Franstalige culturen. Die missie verwezenlijkt het Platform door middel van haar diverse activiteiten die culturele, talige, educatieve, juridische, diplomatieke en zakelijke specialisten op het gebied van de Franse taal en Franstalige culturen in Nederland ondersteunen.
De eerste inhoudelijke bijdrage van de middag werd verzorgd door Frerik Kampman, beleidscoördinator op het gebied van erfgoed en cultuur bij het Ministerie van Buitenlandse Zaken. In zijn bijdrage ‘Cooperation culturelle à la néerlandaise : une réflexion sur la politique culturelle internationale du Royaume des Pays-Bas’ ging hij in op de diverse manieren waarop beleid rond cultuur en erfgoed ingezet kunnen worden om de bilaterale relaties tussen landen te versterken. Hij lichtte toe dat Nederland, omdat onder Thorbecke werd besloten dat de overheid geen invloed mag hebben op de inhoud van kunst en cultuur, een andere culturele strategie heeft dan bijvoorbeeld Frankrijk met haar diverse Instituts Français. Nederlandse culturele betrekkingen verlopen eerder via lokale expertisecentra en stichtingen uit de culturele sector zelf. Een belangrijk speerpunt is het inzetten van de creatieve en innovatieve kracht van culturele actoren voor actuele thema’s zoals armoede en het klimaat. Kampman lichtte zijn verhaal toe met recente voorbeelden van Nederlandse uitwisselingen met India: zo leende India topstukken van Amrita Sher-Gil uit aan het Drents Museum voor een nu lopende tentoonstelling, in ruil voor een bruikleen van onder andere een schilderij van Van Gogh. Kampman benadrukte verder dat het culturele beleid van het Ministerie verder rijkt dan alleen de Randstad: ook andere regio’s binnen het Koninkrijk der Nederlanden worden actief betrokken, inclusief Caribisch Nederland.
Martine Gosselink, directrice van het Mauritshuis, vertelde een zeer levendig verhaal over de roof van een aantal schilderijen uit een Nederlandse collectie door Frankrijk aan het einde van de achttiende eeuw. In 1795, toen stadhouder Willem V naar Engeland vluchtte vanwege oprukkende Franse troepen, liet hij zijn schilderijencollectie achter op het Buitenhof in Den Haag. De collectie werd als oorlogsbuit afgevoerd naar Frankrijk en tentoongesteld in het Louvre. Na de slag bij Waterloo in 1815 werd een groot deel van de collectie schilderijen teruggevorderd, maar een deel bleef achter in Frankrijk en wordt daar nog altijd in diverse musea bewaard. Gosselink stelde in haar presentatie de vraag of deze geroofde werken door Nederland teruggevorderd zouden moeten worden, zoals nu ook veel geroofde werken aan voormalige gekoloniseerde gebieden worden gerestitueerd. Gosselink beargumenteerde dat restitutie niet nodig is, om diverse redenen: er is geen scheve relatie tussen de Frankrijk en Nederland, zoals wel het geval is bij voormalige gekoloniseerde gebieden, en de stukken in kwestie hebben geen belangrijke religieuze waarde voor Nederland, zoals vaak bij erfgoed dat nu wordt gerestitueerd wel het geval is. Daarnaast gaat het niet om de topstukken uit de stadhouderlijke collectie, die zijn allemaal terug in Nederland. Bovendien hebben de Nederlandse musea nauwelijks ruimte voor de geroofde stukken in hun tentoonstellingsruimtes, en zouden de schilderijen waarschijnlijk in depots belanden. In plaats daarvan hangen ze nu in musea verspreid over Frankrijk, waar ze fungeren als ambassadeurs voor Nederland.

Door ziekte was Ute Limacher-Riebold helaas niet in staat haar lezing ‘Dire, ne pas dire, suggérer : les dimensions invisibles de la communication interculturelle’ te verzorgen. Het inhoudelijke programma sloot daarom af met een bijdrage van de Frans-Nederlandse schrijver Boris Marme, getiteld ‘L’art et la guerre, entre art et géopolitique’. Marme werd geïnterviewd door drie studenten van de Universiteit Leiden: Milan van Ast, Inge Haak en Naomi Canlas. Zij stelden de auteur vragen over zijn onlangs verschenen roman L’Oublié, een historische roman over een soldaat die tijdens de Frans-Pruisische oorlog gewond raakte en vervolgens het onderwerp werd van een schilderij door Émile Betsellère. De studenten vroegen zich af waarom het verhaal zich over een lange historische periode uitstrekt, en hoe de verhoudingen tussen realiteit en fictie zijn gekozen. Marme verklaarde dat hij de Grande Histoire heeft willen koppelen aan de petite histoire van individuele levens. Daarvoor is hij uitgegaan van historische feiten: uitgangspunt voor zijn boek was het schilderij van Betsellère en een uitgebreid onderzoek naar het verloop van veldslagen tijdens de Frans-Pruisische oorlog. Het viel hem op dat het schilderij van Betsellère, net als het bredere Franse narratief na het verliezen van de oorlog, afweek van de historische gebeurtenissen om zo een verhaal neer te zetten over dapperheid en heldendom ondanks de geleden nederlaag. Marme heeft verschillende historische periodes, waaronder het heden, met elkaar in dialoog willen laten treden. De studenten stelden vervolgens de vraag hoe literatuur en kunst in bredere zin iets kan zeggen over zij die vaak zijn vergeten in de context van oorlog, zoals de ‘oublié’ in de titel van de roman. Marme antwoordde dat dit een van zijn doelen was: het belichten van heldendom in al haar facetten. Heldendom is voor hem namelijk een complex iets, dat met name in de context van oorlog in een breed palet aan verschijningsvormen voorkomt: wat doe je als je niets meer kunt doen, als de ondergang nabij is? De middag sloot af met een borrel en een boekverkoop en signeersessie van L’Oublié, die gretig aftrek vond onder de aanwezigen.
Tijdens dit congres werden zeer diverse aspecten van de relatie tussen cultuur, taal en diplomatie belicht, waarbij hun samenhang en wisselwerking keer op keer duidelijk werd. Zeker ook tussen de buurlanden Nederland en Frankrijk, die een grens delen op Sint Maarten, blijft cultuur een essentieel diplomatiek instrument.

