Kristallen glazen boordevol magische stilte. Hélène Cixous en haar Duits-joodse familieverleden

Door Annelies Schulte Nordholt

Deze recensie is op 27 oktober verschenen in het online magazine De Vrijdagavond.

tekening van Osnabrück aan de rivier Sparre

De Frans-Algerijnse schrijfster Hélène Cixous ging in 2015 voor het eerst naar Osnabrück, de stad waar haar Duits-joodse familie vóór de oorlog woonde. Zij was toen achtenzeventig jaar. Haar recent verschenen boek Station Osnabrück naar Jeruzalem* is het verhaal van die reis en wat eraan voorafging: de lange jaren waarin ze zich die stad voorstelde, erover fantaseerde en schreef aan de hand van de verhalen van haar moeder Ève (Eva Klein) en haar grootmoeder Omi (Rosalie Jonas).

Wiedergutmachung 

Ève maakte de reis naar Osnabrück dertig jaar eerder, in 1985. In het kader van de Wiedergutmachung probeerde de stad alle uit Osnabrück afkomstige Joden terug te vinden. “De stad nodigde haar [haar moeder] uit in de hoedanigheid van niet-dode Jodin,” zo beschrijft Cixous deze gebeurtenis. 

Zelf was Hélène Cixous in 1985 niet van de partij. Pas veel later, enkele jaren na het overlijden van haar moeder, voelde zij zich geroepen om erheen te gaan. Erheen te gaan, niet ernaar terug te gaan: Cixous, geboren in Algerije in 1937, was er tot dusverre nooit geweest, waarschijnlijk omdat er in Osnabrück niemand van de familie over was om te bezoeken. Allen waren deportiert en ermordet, om de Duitse woorden te hernemen die Cixous direct en onvertaald in haar tekst gebruikt. 

Hélène Cixous, foto Claude Truong-Ngoccourtesy Octavo

Sefardische medicijnenstudent

Cixous’ moeder Ève was één van de weinige overlevenden van de familie. Ève verliet de stad al eind jaren twintig en trok naar Parijs. Daar leerde ze haar man leerde kennen, een Sefardische medicijnenstudent afkomstig uit Algerije. Samen vestigden zij zich in Oran, in wat toen Frans Algerije was. Eind 1938 voegt Omi, de grootmoeder, zich bij haar dochters gezin in Oran: Omi is ternauwernood ontsnapt uit Osnabrück, vlak na de Kristallnacht. Over de Kristallnacht zelf zal de grootmoeder nooit met een woord spreken.

Het mysterie van 9.11.38

Was Omi in Osnabrück die nacht van 9 november toen de grote synagoge in brand werd gestoken? Dat alles zal voor haar kleindochter altijd ‘het mysterie van 9.11.38’ blijven. Het woord  ‘kristal’ slaat voor Cixous als kind niet op de Kristallnacht maar op de Boheemse kristallen glazen die haar grootmoeder meenam op haar vlucht. Die glazen waren te mooi om uit te drinken: “Ranke glazen als kerkklokken, melodieus en vol licht. We keken ernaar. We verlangden ernaar […] Ze waren boordevol magische stilte.” Ze vormen een sterk symbool van het zwijgen rondom de Shoah, maar ook van de welvarende, bürgerliche Joodse gemeenschap van voorheen. 

links: Osnabrück Synagoge, ansichtkaart 1900 / rechts: de uitgebrande Synagoge op 10 november.
bron: Medienzentrum Osnabrück, Sammlung Ordelheide

Behalve de kristallen glazen brengt Omi ook de verhalen mee en de Duitse taal. Haar Frans zal doorspekt blijven met Duitse woorden. Ook haar liefde voor de Duitse literatuur draagt zij over op haar kleindochter over. Eindeloos halen de moeder en grootmoeder herinneringen op aan Osnabrück, zodat de jonge Cixous in gedachten met ze mee rent langs het riviertje de Hase. Zij kan de stad uittekenen zonder er ooit te zijn geweest. Postmemory, zo noemt de Amerikaanse critica Marianne Hirsch deze bijzondere, intergenerationele vorm van identificatie met een verleden dat je zelf nooit beleefd hebt. In Cixous’ woorden: “Er zijn dagen dat Osnabrück een droom is. Dagen dat ik in Osnabrück werd geboren […], dat Osnabrück in mijn kindertijd in Oran ligt.”  

Stad vol gemütliche Joden?

Het beeld dat via de verhalen van moeder en grootmoeder ontstond was geïdealiseerd: in hun herinnering was Osnabrück een idyllisch stadje, met in haar midden “een belangrijke Joodse bloeiende stad die natuurlijk agnostisch was, de meesten van de tienduizenden Joden waren gemütliche Joden, Joden voor feestdagen […]” die zich in de eerste plaats Duits voelden. Dat laatste was waar, beaamt Cixous, maar wat schetste haar verbazing toen ze ontdekte dat de stad halverwege de jaren dertig niet meer dan vierhonderd Joodse inwoners had, op een bevolking van zo’n honderdduizend? En dat de felle Jodenhaat er desondanks al in de jaren twintig was begonnen?

Dat spreekt uit de verhalen die Cixous verzamelde, maar nog het meest uit de manier waarop zij het Osnabrück van kort na de oorlog beschrijft: “Al geruime tijd was Osnabrück jodenloos, er waren nuljoden in de betoverende straten en rondom de kathedraal  […], Nulosnabrück, de stad was nog steeds even schoon en proper […] en al tientallen jaren vrij van Jood […]”. 

Osnabrück gedragen door woorden 

Deze passage laat het nieuwe en originele van dit boek goed zien. Cixous’ reis naar het Joodse familieverleden behoort weliswaar tot een tegenwoordig wijdverbreid genre, waarvan The Lost. A Search of Six of the Six Million van Daniel Mendelsohn* een goed voorbeeld is. Maar in tegenstelling tot dergelijke, chronologisch opgebouwde verhalen is het een experimentele tekst. Cixous schrijft niet over haar reis naar Osnabrück maar zij schrijft Osnabrück, dat wil zeggen dat zij zich door de taal, door de woorden laat dragen. Zij behoort tot een generatie Franse schrijvers die – mede door de psychoanalyse – overtuigd zijn dat de taal vaak meer zegt dan wij willen en kunnen zeggen. Haar grote creativiteit met taal is een zich openstellen voor die eindeloze mogelijkheden, die Freud al gezien had met zijn analyse van versprekingen en woordspelingen. 

Die talige rijkdom blijkt ook uit de titel van het boek: Station Osnabrück naar Jeruzalem. Op het eerste gezicht is het een verwijzing naar de tragische geschiedenis van haar oudoom André die in 1935 naar zijn dochter in Palestina gaat, maar twee jaar later terugkeert naar Osnabrück en alsnog wordt gedeporteerd. Maar de titel heeft nog een andere betekenis: voor Cixous is Osnabrück, net als Jeruzalem, het grootste deel van haar leven een ‘Beloofde Stad’ gebleven, een stad die zij alleen via de verbeelding en het verlangen heeft beleefd, vanuit een ballingschap die zij verbindt met de ballingschap van het Joodse volk.  


* Hélène Cixous, Station Osnabrück naar Jeruzalem, vertaald door Désirée Schyns, met een nawoord van Christa Stevens en zeven woordtekeningen van Pierre Alechinsky. Uitgever: Octavo, 2022

1. Marianne Hirsch, The Generation of Postmemory. Writing and Visual Culture after the Holocaust, New York, Columbia University Press, 2012.

2. Daniel Mendelsohn, The Lost. A Search of Six of the Six Million, 2006, winnaar van de National Book Critics Circle Award, de National Jewish Book Award en de Prix Médicis in Frankrijk.


Annelies Schulte Nordholt doceert Moderne Franse letterkunde aan de Universiteit Leiden.